Films zijn er in twee smaken: fictie en non-fictie. De eerste vorm brengt ons in werelden waar een documentairemaker nooit zou kunnen komen. De tweede vorm is daarin beperkter, maar wordt door veel mensen nog altijd mooier gevonden ‘omdat het echt gebeurd is.’.

Reden voor mij om non-fictie het mooist te vinden is niet alleen dat het ‘echt gebeurd’ is. Want als het kwalititeitsverschil tussen fictie en non-fictie slechts gebaseerd is op de sensatie dat de persoon voor de camera ‘echt’ huilt, ‘echt’ lijdt, ‘echt’ sterft, dan heeft die waardering iets voyeuristisch, iets obsceens.

De waardering van mensen voor non-fictie is misschien gefundeerd in iets diepers: in non-fictie herkennen wij onbewust het gewone leven, dat veel minder perfect en voordehand liggend is dan fictie ons wil laten geloven. Ons dagelijks leven is onhandig en onlogisch, gebroken en gefragmenteerd, onverwacht anders en zoveel gedetailleerder dan we bedenken kunnen. Dat is wat we zien in goede documentaires en daarom raakt het ons op een manier die fictie nooit bereiken kan.

Een documentairemaker die deze kenmerken van het ‘echte’ leven veronachtzaamd en zich bedient van eigen clichés moet de camera naast zich neerleggen en zich serieus afvragen of hij niet beter fictie kan gaan maken.